Adobe Stock 124767342
Aquacultuurvoer voor een duurzame toekomst

Aquacultuurvoer voor een duurzame toekomst

Nu aquacultuur blijft groeien tot een geavanceerde industrie, moeten we het voer voor vissen en garnalen aanpassen. Ben Lamberigts, Quality, Research and Nutrition Manager bij Alltech Coppens, was in juni 2021 een van de sprekers op de Alltech ONE Ideas Conference en gaf zijn visie op voeding voor een duurzame toekomst aan de hand van de vier pijlers van het visvoedingsconcept.


De huidige stand van zaken in de productie voor aquacultuurvoer

De snelle groei van de aquacultuursector heeft geleid tot een stijging in de vraag naar hoogwaardig voer voor aquacultuur. Het aanbod vismeel is echter beperkt. Zelfs als we wereldwijd het aandeel vismeel met 50% verlagen, is in 2050 nog altijd ongeveer 1,5 miljoen ton vismeel nodig. Dat is simpelweg niet beschikbaar.

“Dit is een uitdaging waar we een oplossing voor moeten vinden voordat we de aquacultuursector verder kunnen uitbreiden,” zei Lamberigts. “Maar de sector werk hieraan, en we zijn erg goed op weg.”

Zo zijn we er sinds de jaren negentig in geslaagd de FIFO-factor (fish in fish out) te verlagen. Toch hebben we meer alternatieven voor vismeel nodig, zoals:

  • Dierlijke bijproducten (hemoglobine, bloedmeel, pluimveemeel)
  • Plantaardige eiwitbronnen (zonnebloemmeel, tarweproteïne, sojameel)
  • Nieuwe eiwitbronnen (meelworm, BSF-meel, algen)
  • Bijproducten van menselijke consumptie (visbijproducten of zalm)

Terwijl wereldwijd de aquacultuurproductie een FIFO-factor van 0,27 bereikte, slaagde Alltech Coppens er zelfs in de FIFO-factor te verlagen tot 0,10, wat betekent dat slechts 100 gram wild gevangen vis nodig is om 1 kilogram kweekvis te produceren. Hoe is Alltech Coppens hierin geslaagd?

Begrijpen wat vis echt nodig heeft

“Eerst moeten we de principes van voeding begrijpen,” merkte Lamberigts op. “Geen enkele vis heeft vismeel of zelfs een specifieke grondstof nodig.”

Vis heeft een nutritionele behoefte aan:

  • Essentiële nutriënten, zoals verteerbare eiwitten, vet voor energie, vitaminen en mineralen
  • Smakelijk mengvoeder, zodat de vis het voer eet
  • Goede waterkwaliteit in aquacultuur, omdat vis in één en dezelfde omgeving zwemt, feces uitscheidt en eet

“Als we de alternatieven definiëren volgens deze eisen, zijn het geen alternatieven meer,” ging Lamberigts verder. “We formuleren afzonderlijke parameters zodat we ze beter kunnen vergelijken, zowel onderling als met vismeel.”

Dit is al gedaan met voedingsmiddelen voor mensen. Een voorbeeld is de voedingswaardetabel op verpakkingen. Aan de hand van een score voor de voedingswaarde of duurzaamheid kunnen consumenten producten vergelijken Via labels en pictogrammen maken fabrikanten het hen nu mogelijk de juiste keuze te maken.

Alltech Coppens heeft een soortgelijke methode toegepast op de alternatieven voor vismeel door die naar verschillende parameters in te delen in vier pijlers: Palatability (smakelijkheid), Performance (prestatie), Pollution control (vervuiling) en Planet (planeet).

AC 4 PS 5 NL

De vier pijlers van visvoeding voor een duurzame toekomst

  1. Smakelijkheid: Het voer moet makkelijk opgenomen worden door de vissen

“Smakelijkheid is de belangrijkste pijler: als het voer niet wordt gegeven door de vissen, is er geen sprake van performance en wordt vervuiling erg moeilijk te beheersen,” legde Lamberigts uit.

De onderstaande grafiek laat de resultaten zien van een proef met regenboogforel op maximaal voederniveau. De Y-as geeft de voerinname aan in gram/kilogram metabolische snelheid, de X-as geeft de smaak aan.

De vis werd verdeeld in twee verschillende groepen:

  • Blauwe lijn: 100% van de eiwitten was afkomstig van vismeel (voer op basis van vismeel)
  • Groene lijn: 100% van de eiwitten was afkomstig van plantaardige bronnen (plantaardig voer)

De voedingspatronen voor deze beide groepen werden op dag vier omgewisseld. Interessant is dat er voor beide voedingspatronen een daling zichtbaar is in voederniveau. Dat betekent dat het voederniveau zelfs daalde bij de vissen die tot dag vier plantaardig voer kregen en overstapten op wat werd aangenomen smakelijker voer te zijn (het vismeelvoer); de daling bij die groep herstelde echter veel sneller dan bij de andere groep.

Op basis van deze proef werden twee cruciale parameters geïdentificeerd met betrekking tot smakelijkheid:

  1. De daling in voederniveau na overschakelen naar een andere voersamenstelling
  2. De herstelperiode die na de overschakeling nodig was

“Als we dit effect kwantificeren voor alle alternatieven, kunnen we berekenen met welke combinatie van de alternatieven we dezelfde prestatie realiseren als met vismeel,” merkte Lamberigts op.

2. Prestatie: Vissen hebben essentiële nutriënten nodig

Energie is de brandstof voor groei. Als het energieniveau stijgt, daalt de voederconversieratio (FCR) en neemt de groeiprestatie van het dier toe. Bovendien is energie verantwoordelijk voor 70% van de voerkosten. “Dus als we het energiegehalte van een bepaald voer met 10% verhogen, stijgt ook de prijs van dat voer met 7%,” zei Lamberigts. Maar wat is energie?

De bruto energie is de energie die een voeringrediënt bevat. Kan het dier die energie verteren, dan wordt het verteerbare energie. Verteerbare energie die door het dier goed wordt omgezet in weefsel of onderhoud, is de netto energie.

Fabrikanten kunnen het beste voer voor prestatie bepalen door de netto energie van verschillende soorten voer te vergelijken en daarbij rekening te houden met smakelijkheid en duurzaamheid.

3. Vervuiling: Vissen hebben een goede waterkwaliteit nodig

De drie belangrijkste factoren die van invloed zijn op de waterkwaliteit zijn:

  • Niet-gegeten voer
  • Uitscheiding van ammoniak en fosfor
  • Uitwerpselen (hoe snel ze zinken, welk aandeel bezinkt en welk aandeel blijft zweven)

Een factor bij het beheersen van vervuiling is de verteerbaarheid van vet. Omdat watertemperatuur hierbij een grote rol speelt, is vervuiling door vet een probleem in forelkwekerijen met een lage watertemperatuur (tot 8° Celsius), met name als het voederniveau hoog is.

Een vetzuur met een laag smeltpunt, zoals lijnzaad of soja-olie, heeft een goede verteerbaarheid. In dat geval is het effect laag, zelfs als de watertemperatuur daalt.

Alltech Coppens kent de vetzuursamenstelling van hun diverse alternatieven voor vismeel en visolie. Dat betekent dat ze dit model kunnen gebruiken om de vetverteerbaarheid te voorspellen en te voorkomen dat vet het water vervuilt.

4. Planeet: De milieuvriendelijkheid van het voer

“Met het oog op duurzaamheid en mogelijkheden om deze industrie verder te laten groeien moeten we kwantificeren welk effect onze producten, onze grondstoffen en onze vismeelalternatieven hebben op het milieu,” zegt Lamberigts.

Door al deze effecten te combineren berekent Alltech Coppens een totale duurzaamheidsscore voor de diverse grondstoffen. Op basis daarvan kunnen klanten het juiste duurzame voer kiezen.

“Als we al deze pijlers kwantificeren en meten en ze in een softwareprogramma stoppen, kunnen we de optimale combinatie maken van onze alternatieve eiwitbronnen en vismeel, zodat we de beste kwaliteit voor de laagste prijs kunnen bieden,” merkte Lamberigts op.

Tot slot van zijn presentatie wees Lamberigts zijn publiek erop dat alternatieven voor vismeel geen alternatieven zijn, maar ingrediënten.

“Insectenmeel, sojaproteïne, pluimveemeel; als we de parameters achter deze ingrediënten kunnen kwantificeren, zijn we ook in staat ze op de juiste manier te gebruiken,” luidde het advies van Lamberigts. “Wat betreft duurzaamheid, het beheersen van vervuiling, performance, smakelijkheid zijn we nu in staat de diverse alternatieven en de verschillende vismelen op de juiste manier toe te passen om de groei van onze visvoersector garanderen.”